


|
 |
Veterinairarchief
van Oktober 2001
| Hygiëne-onderzoek in de broederij |
 |
Evenals pluimveebedrijven worden kuikenbroederijen regelmatig aan een hygiëne-onderzoek onderworpen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd volgens het Hygiënebesluit Kuikenbroederijen 1997. Sinds de invoering van het Plan van Aanpak Salmonella zijn de hygiënescores aanzienlijk verbeterd. Controle kuikenbroederij
Als onderdeel van het Plan van Aanpak Salmonella worden kuikenbroederijen tegenwoordig minimaal twee keer per jaar vooraf aangekondigd gecontroleerd. Dit gebeurt op een moment dat de gehele broederij is gereinigd en gedesinfecteerd en er nog geen werkzaamheden zijn verricht. Alle locaties worden tijdens dit bezoek bemonsterd. Naast de twee aangekondigde controles worden er jaarlijks ook minimaal vier onverwachte routine-controles uitgevoerd. De monsternemer bemonstert alleen de ruimten waarin niet wordt gewerkt en waar geen zichtbare vervuiling aanwezig is. Afhankelijk van de uitslag vinden extra bemonsteringen plaats. Uitgangspunt is dat het gemiddelde kiemgetal van een individueel onderdeel in de broederij niet hoger is dan 3 en dat het totaal gemiddelde van de broederij niet hoger is dan 1.5. Uit een vergelijking tussen de uitslagen van 1987 tot 2001 blijkt dat met name vanaf de invoering van het Plan van Aanpak Salmonella een duidelijke verbetering in de hygiënescores is opgetreden.
Rodacplaatjes
Voor het hygiëne-onderzoek wordt gebruik gemaakt van Rodacplaatjes. Dit zijn plastic bodempjes gevuld met agarvloeistof, een voedingsbodem voor bacteriën. De monsternemer drukt de plaatjes volgens een vast schema op verschillende oppervlakken in de broederij. De grootte van de broederij bepaalt het aantal afdrukken. De locaties waar de afdrukken worden genomen zijn representatief voor de betreffende ruimte. De contactafdrukken worden vervolgens in een broedstoof geplaatst, zodat de opgenomen bacteriën zich vermenigvuldigen. Ze vermeerderen zich zo vaak dat ze zichtbaar worden in de vorm van kolonies. Telling van de kolonies geeft een indruk van het ontsmettingsresultaat. Het resultaat wordt uitgedrukt in een kiemgetal: hoe hoger het kiemgetal, des te meer bacteriën de ontsmetting hebben overleefd.
Eisen bij bemonstering
De monsternemer dient er voor te zorgen dat de agar niet met te veel resten van desinfectiemiddel in aanraking komt. Eventueel aangehechte bacteriën willen dan niet meer groeien. Kleine hoeveelheden desinfectiemiddel worden wel geïnactiveerd door neutraliserende stoffen in de Rodacplaatjes, grote hoeveelheden niet. De monsternemer bemonstert daarom geen ruimten waarin nog een hoge restdampconcentratie hangt en drukt geen plaatjes af op vochtige oppervlakken. Om voldoende bacteriën de kans te geven zich aan het oppervlak te hechten, dient het Rodacplaatje minimaal 15 seconden op het oppervlak te worden geduwd. Naast het hygiëne-onderzoek wordt bij een controle een Salmonella-onderzoek uitgevoerd. Slechts incidenteel worden hierbij Salmonella’s aangetoond.
De gemiddelde hygiënescores het hele jaar door. Opvallend is dat de hygienescore in de zomer minder goed is dan in de winter.
Door betere technische mogelijkheden en een strenger hygiëneregime zijn de resultaten van de verschillende broederijen steeds beter geworden.
|
 |
 |
Wat is E.coli?
De meest geïsoleerde bacterie bij pluimvee is E. coli. Meestal is E. coli een voorwaardelijke ziekteverwekker en is de oorzaak multifactorieel. Verhoogde besmettingsdruk, verminderde weerstand, stress, slecht stalklimaat en primaire virusinfecties zijn factoren waardoor E. coli problemen kan geven. Er zijn meer dan 12.000 serotypen van E. coli. Ze worden ingedeeld op basis van aanwezige H(flagellen)-, F(fimbriae)-, O(celwand)- en K(kapsel)-antigenen. Relatief weinig serotypen zijn kwaadaardig voor pluimvee. Zo zijn slechts drie serotypen 02:Kl, OI:KL en 078:K80 voor meer dan de helft van de gevallen van colibacillose bij vleeskuikens verantwoordelijk.
Besmetting langs vele wegen
E. coli bij pluimvee is over het algemeen, als ziekteverwekker, gastheerspecifiek. Dat betekent dat de type die ziekteverschijnselen bij pluimvee veroorzaakt geen ziekte bij andere dieren veroorzaakt. Een ziekteverwekkende E. coli kan zich in de darm vermenigvuldigen. Met de mest waarin de bacterie wekenlang blijft leven, worden ze uitgescheiden en verhogen de besmettingsdruk. Eischaalbesmeuring met mest kan leiden tot dooierrestontsteking bij jonge kuikens. Besmetting via voer, water en ongedierte is ook mogelijk. Infectie bij wat oudere kuikens vindt via de ingeademde lucht plaats en kan leiden tot ontsteking van de luchtzakken, leverkapsel en hartzakken.
Diagnose via bacteriologisch onderzoek
Bij jonge kuikens met dooierrestontsteking, bij oudere vleeskuikens, kalkoenen en eenden met luchtzakontsteking en bij volwassen hennen met buikvliesontsteking, kan in veruit de meeste gevallen E. coli als verwekker worden gevonden. Andere ziekteverwekkers kunnen deze ziektebeelden ook geven:
Dooierrestontsteking: Salmonella, Enterococcus (= Streptococcus), Staphylococcus en Proteus. Luchtzakontsteking: Staphylococcus, Salmonella, Mycoplasma, Ornithobacterium (vooral kalkoen), Bordetella avium (eerder Alcaligenes faecalis genoemd; vooral kalkoen) en Riemerella anatipestifer (nieuwste naam van Pasteurella = Pfeifferella = Moraxella) (vooral eend en gans). Buikvliesontsteking: Pasteurella multocida, Salmonella, Staphylococcus en Enterococcus Gewrichtsontsteking: Staphylococcus, Enterococcus en Salmonella. De diagnose E. coli kan daarom pas worden gesteld na isolatie van de kiem en ook dan moet worden gekeken naar primaire oorzaken en disponerende factoren.
E. coli bij pluimvee
Diersoort Verschijnselen Predisponerende factoren Jonge kuikens Navelontsteking, dooierrestonsteking, hartzakontsteking, gewrichtsontsteking Onvoldoende hygiëne, verminderde weerstand Oudere vleeskuikens (vanaf 3 weken), kalkoenen en eenden Luchtzakontsteking, hartzakontsteking, ontsteking van leverkapsel, longontsteking, gewrichtsontsteking (colibacillose of polyserositis) Primaire infectie met IB-virus, CA-virus, mycoplasma of levende entvirussen. Hoge relatieve luchtvochtigheid, hoog kiemgetal in stallucht, ammoniak, onjuiste staltemperatuur Leghennen Buikvliesontsteking, eileiderontsteking, eierstokontsteking Stress (slecht stalklimaat, storing in water-/voervoorziening, onrust), hormonale invloed (in productie komen), onvoldoende hygiëne, IB-infecties
Preventie
Alle maatregelen die infecties met E. coli helpen voorkomen, zijn gericht op hygiëne in de hele keten, dus grondige reiniging en desinfectie, broedei-ontsmetting, voorkomen van insleep en all-in all-out. Daarnaast is stresspreventie, optimale klimaatbeheersing en verantwoorde hokbezetting noodzakelijk. Vaccinaties tegen primaire virusinfecties (met name IB en Gumboro) en het correct uitvoeren van entingen met minimale entreacties, verdienen de nodige aandacht. Tot slot kan tegen E. coli worden gevaccineerd. Als er bij voorgaande koppels een hoge uitval door buikvliesontsteking optrad, kunnen legkippen en moederdieren in de opfok worden geënt met een stalvaccin, gemaakt door de Gezondheidsdienst van een uit het vorige koppel geïsoleerde E. coli.
Behandeling
Na het stellen van de (waarschijnlijkheids)diagnose wordt allereerst een kosten/batenanalyse van de verschillende behandelingsmethoden gemaakt. Er zijn verschillende alternatieven voor behandeling met antibiotica:
Dooierrestontsteking: zieke en kleine kuikens opruimen. Colibacillose: optimaliseren stalklimaat, uitschakelen predisponerende factoren, vervroegd slachten. Buikvliesontsteking: stressfactoren uitschakelen. Antibacteriële middelen, geregistreerd voor pluimvee en versmeld in formularium voor behandeling tegen E. coli zijn: trimethoprim/sulfa, flumequine, enrofloxacine, spectinomycine (in Linco-Spectino), amoxicilline (beter geresorbeerd dan ampicilline) en tetracyclinen (met voorkeur voor doxycycline wegens betere resorptie).
|
 |
| Praktijkonderzoek locomotieproblemen vleeskalkoenen |
 |
De relatief kleine Nederlandse kalkoensector heeft de laatste jaren met de nodige gezondheidsproblemen te kampen. Betrokken dierenartsenpraktijken en de Gezondheidsdienst zoeken elk voor zich en deels samen naar oplossingen voor deze problemen. In 2001 wordt een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke oorzaken van locomotieproblemen bij kalkoenen. Inventariseren Locomotieproblemen Opzet onderzoek
-------------------------------------------------------------------------------- Inventariseren Het praktijkonderzoek naar locomotieproblemen bij vleeskalkoenen wordt uitgevoerd op verzoek van de kalkoenintegraties Plukon en BAV. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een aantal dierenartsenpraktijken en de GD. Het doel van dit onderzoek is te inventariseren welke infectieuze agentia aanwezig zijn ten tijde van een (beginnend) locomotieprobleem. In de loop van 2001 hopen we antwoord te kunnen geven of M.s. in de kalkoenhouderij een rol speelt bij locomotieproblemen.
Locomotieproblemen In de kalkoenhouderij in Nederland spelen locomotieproblemen een belangrijke rol bij het economisch rendement van vleeskuikenkoppels. Uitval, groeivertraging en afkeuringen op de slachterij (percentage borstblaren groter dan tien procent) leiden tot grote financiële verliezen. Voor een gemiddeld kalkoenenbedrijf kunnen deze verliezen (directe kosten en gederfde inkomsten) per koppel de ƒ50.000,- overschrijden. De problemen beginnen over het algemeen in de achtste tot tiende levensweek van de kalkoen, maar op latere leeftijd worden de locomotiestoornissen klinisch zichtbaar. De oorzaken zijn multifactorieel, waarbij zowel genetische en ontwikkelingsfactoren als infectieuze agentia een rol spelen. Met betrekking tot de infectieuze oorzaken zijn er aanwijzingen dat Mycoplasma synovia (M.s.) een rol speelt. Daar zijn echter geen duidelijke bewijzen voor, zelfs de aanwezigheid van M.s. is in veel gevallen niet aangetoond. De eerste symptomen zijn enkele kreupele dieren, waarbij klinisch niet altijd duidelijk is of er sprake is van een gewrichtsontsteking. De aandoening treedt met name bij de hanen op, hoewel het beeld ook bij de hennen voorkomt. Bij sectie wordt dan een muceuze of purulente gewrichtontsteking gevonden van teen-, hak- of heupgewricht. Algemene aërobe bacteriologische kweken leiden in veel gevallen niet tot het isoleren van een bacterieel agens. Behandeling met antibiotica of chemotherapeutica waarvoor mycoplasma’s een intrinsieke gevoeligheid bezitten, leiden mits zij in een vroeg stadium van de problemen worden ingezet, tot positieve resultaten.
Opzet onderzoek Door de groep samenwerkende dierenartsenpraktijken zijn 10 bedrijven, later hokken, geselecteerd die in de proef meedraaien.
Selectie van de bedrijven is gebaseerd op de historie van twee voorgaande koppels.
Uit de slachterijrapporten dient duidelijk te blijken dat op de bedrijven sprake is van een verhoogd percentage afkeuringen. Van de twee voorgaande koppels moeten klachten bekend zijn met betrekking tot locomotieproblemen, waarbij gewrichtsontstekingen aanwezig waren. Deze gegeven zijn vastgelegd in bedrijfsrapporten en/of sectieverslagen. Het bedrijf dient de voorgaand ronde serologisch vrij te zijn geweest van M.g.. Voordat de proef start wordt op elk bedrijf één hok waarin hanen gehuisvest zijn, geselecteerd als proefhok. De deelnemende practici nemen regelmatig monsters van deze koppels. De monsters worden met name onderzocht op de aanwezigheid van Mycoplasma synovia. Wanneer er zich locomotieproblemen voor doen stuurt de practicus dieren naar de GD. Daar wordt uitgebreid onderzoek verricht om een mogelijke oorzaak te achterhalen.
|
 |
 |
Mycoplasma gallisepticum (M.g.) is een kleine, bacterie-achtige ziektekiem die bij kalkoenen en ander pluimvee ernstige ziekte kan veroorzaken. De ernst van de ziekte is afhankelijk van de leeftijd van de besmette dieren, het klimaat, de kwaadaardigheid van de M.g.-stam en het al of niet voorkomen van andere infecties.
-------------------------------------------------------------------------------- Schade
De schade door een M.g.-besmetting in koppels vleeskalkoenen kan ten gevolge van achterblijvende gewichtsontwikkeling, verhoogde uitval, meer medicijnkosten en hogere voederconversie fors oplopen. Besmetting
M.g. kan overgedragen worden van moederdieren op nakomelingen (verticale transmissie) en vanuit de omgeving (horizontale transmissie). De laatste route is de belangrijkste, want bij kalkoen-reproductiedieren komt M.g. de afgelopen jaren niet voor. De besmetting met M.g. kan plaatsvinden door contact met M.g.-besmette stof- of waterdeeltjes in de lucht, die de kalkoen via neus en/of oogslijmvlies en de diepere luchtwegen binnendringen. Deze deeltjes kunnen afkomstig zijn van besmette dieren in een koppel op hetzelfde bedrijf, maar ook van besmet pluimvee op enige afstand. M.g. kan binnenkomen via overwaaien van besmette stofdeeltjes, maar kan ook worden binnengebracht door personen en materialen. Verspreiding via de lucht vindt over het algemeen over korte afstand plaats. Na besmetting met M.g. zijn kalkoenen ook gevoelig(er) voor andere ademhalingsproblemen.
Ziekteverschijnselen
De ziekteverschijnselen zijn afhankelijk van de kwaadaardigheid van de betrokken M.g. stam en van de leeftijd van de dieren op het tijdstip van de infectie. Jonge kalkoenen worden vaak ziek van een M.g.-infectie. Zij hebben in het ergste geval, last van ernstige benauwdheid en kunnen stikken. Dit komt voor als er een infectie met bijvoorbeeld Escherichia coli (E. coli) of Ornithobacterium rhinotracheale (O.r.), maar ook Pasteurella multocida bijkomt.
In de praktijk is dat bijna altijd het geval. Zo'n menginfectie gaat gepaard met rochelende geluiden en soms ziet men dikke koppen. Omdat de ziekteproblemen telkens weer terug (kunnen) komen, werd deze ziekte ‘chronische snot’ genoemd of, in het Engels: Chronic Respiratory Disease (CRD). Kalkoenen die de ziekte overleven blijven (vaak) achter in gewicht en reageren sterk op veldinfecties van virussen die zich vermenigvuldigen in de luchtwegen, maar ook op levende vaccinvirussen (NCD, TRT) .
Bij oudere dieren zijn de verschijnselen van de luchtwegen over het algemeen milder en soms zelfs nauwelijks merkbaar. De groei blijft nagenoeg altijd achter. In Nederland komen ook kwaadaardige M.g.-stammen voor die ook bij oudere dieren hoorbare en zichtbare ademhalingsproblemen veroorzaken. Hoewel een behandeling met geneesmiddelen een (tijdelijke) oplossing biedt, zal door het telkens opflakkeren van de infectie in combinatie met bijkomende infecties, de uiteindelijke schade enorm groot kunnen worden. Bij infecties met milde stammen, merkt de eigenaar weinig of niets bijzonders aan de dieren en blijkt pas bij bloedonderzoek dat er iets aan de hand is.
Overleven
Mycoplasma’s hebben geen celwand, daardoor zijn ze heel kwetsbaar voor omgevingsinvloeden. Mycoplasma's zijn gevoelig voor ontsmettingsmiddelen en uitdroging. In een lege, schone, gedesinfecteerde en droge stal overleven ze dan ook niet lang. Overleving van de M.g.-bacterie in de neusholte of haren van de mens en in materiaal als stof, veren en bedrijfskleding kan variëren van 1 tot 4 dagen. In mest kan de bacterie wel 14 dagen overleven en omhuld door eimateriaal (van belang bij reproductiekalkoenen) wel 6 tot 18 weken. Als een koppel besmet is dan blijft de M.g.-bacterie levenslang in de dieren aanwezig. In een M.g.-besmet koppel kalkoenen is de M.g. dus niet uit te roeien, ook niet met geneesmiddelen. Al korte tijd na het besmetten van een dier zitten de kiemen namelijk in de luchtwegen en in de luchtzakken. Medicijnen zijn daar niet voldoende effectief. Behandeling tegen mycoplasma's is daarom nooit helemaal afdoende; de besmetting blijft aanwezig in het koppel. En daarmee blijft ook de kans op verspreiding naar andere koppels aanwezig. Vooral bij het zogenaamde meerleeftijdensysteem lopen de jonge kalkoentjes een grote kans besmet te raken.
Preventie
Hieronder volgen algemene preventiemaatregelen op meerleeftijdenbedrijven waar een M.g.-positief koppel is geconstateerd, om het risico van besmetting naar naastliggende stallen met jonge kuikens te reduceren.
Onderzoek andere koppels aanwezig op het bedrijf (of op andere bedrijfslocaties) op M.g.-antistoffen, zodat de M.g.-status van andere koppels op het bedrijf bekend is en maatregelen kunnen worden genomen om verdere verspreiding naar niet-besmette stallen te voorkomen. Geadviseerd wordt om tenminste 24 bloedmonsters per koppel te laten onderzoeken. Extra hygiënemaatregelen nemen bij bezoek aan de niet besmette stallen (aparte kleding, apart schoeisel, hoofddeksel, mondkapje per stal). Altijd eerst de vrije koppels verzorgen en daarna de besmette koppels. Altijd handen wassen bij het verlaten van de stal. Oppassen met het gebruik van bedrijfsmateriaal in verschillende stallen. Bij het verwijderen van een M.g.-besmet koppel, indien mogelijk, ventilatie bij andere stallen uitschakelen. Indien mogelijk bij het ruimen rekening houden met de windrichting. Direct reinigen en ontsmetten van de omgeving van geruimde stal. Verwijder de mest uit de besmette stal bij voorkeur pas na 14 dagen. Vóór het plaatsen van een nieuw koppel, de stal (inclusief inventaris) grondig reinigen en desinfecteren.
Algemene preventiemaatregelen om insleep van M.g. op het bedrijf te voorkomen:
Accepteer alleen kuikens van M.g.-vrije herkomst. Direct en indirect contact met besmette koppels vermijden. Handhaaf een zodanige bedrijfshygiëne dat de besmetting niet kan worden binnengesleept met personen, gereedschap en andere materialen. Het gebruik van freesmachines of ander gereedschap in meer hokken met dieren van verschillende leeftijden, maar met name op meer bedrijfslocaties wordt sterk ontraden. Wilde vogels uit de stal weren (inlaten voorzien van gaas) en sierpluimvee uit de buurt van de stal houden. Een goede windsingel kan het overwaaien van stof vanaf pluimveebedrijven in de naaste omgeving aanzienlijk beperken. Ontsmet de hokken, alle gebruikte gereedschappen en de directe omgeving rondom de stal, minimaal 1 week vóór het opzetten van een nieuw koppel. In geval van een besmetting wordt geadviseerd om een all-in all-out bedrijfsvoering te gaan hanteren of een langere leegstandperiode aan te houden.
Bestrijdingsprogramma
Indien er een M.g.-besmetting is geconstateerd op een vleeskalkoenbedrijf, wordt geadviseerd om met de dierenarts een bestrijdingsprogramma op te stellen toegespitst op het bedrijf. De handleiding ‘M.g.-bestrijdingsprogramma vleeskalkoenen’, opgesteld in samenwerking met vertegenwoordigers van de kalkoensector, is beschikbaar bij uw practicus en de Gezondheidsdienst voor Dieren.
|
 |
| Tweede verwekker gewrichtsamyloïdose aangetoond |
 |
Na inventariserend onderzoek in 1994 en 1997 kon de bacterie Enterococcus faecalis als de belangrijkste ziekteverwekker van gewrichtsamyloïdose worden aangewezen. Inmiddels zijn er aanwijzingen dat ook Mycoplasma synoviae een rol speelt bij het optreden van deze afwijking. -------------------------------------------------------------------------------- Onderzoek naar oorzaak
In dierexperimenten in de jaren negentig is een oorzakelijk verband aangetoond tussen E. faecalis en gewrichtsamyloïdose. Uit een onderzoek van de Gezondheidsdienst voor Dieren bleek dat besmette Marek-entstof-suspensies een mogelijk bron van besmetting vormden. Ouderdieren die hiermee worden ingespoten kunnen de kiem in beperkte mate overdragen naar nakomelingen. Verder is experimenteel aangetoond dat bij een hoge infectiedruk de bacteriën ook via de luchtpijp binnen kunnen komen.
Verschuiving klinisch beeld
De afgelopen jaren is er een verschuiving opgetreden in het klinisch beeld van gewrichtsamyloïdose. Waren eerst vooral de heup-, knie- en hakgewrichten aangetast, nu gaat het met name om hak- en voetgewrichten. Daarbij komt dat het E. faecalis-model geen verklaring kon geven voor alle gevallen van gewrichtsamyloïdose. Dit was een aanwijzing dat Mycoplasma synoviae mogelijk veroorzaker was. Klassieke gevallen van M. synoviae- gewrichtsontsteking worden namelijk gekenmerkt door ontsteking van hakken en voetzolen. Een verbeterde mycoplasmakweek heeft meer inzicht gegeven in de rol van M.s. en gewrichtsamyloïdose.
Twee verwekkers
Bij een inventariserend veldonderzoek kon bij zes van de tien koppels met amyloïdproblemen bij meerdere dieren M. synoviae worden geïsoleerd. E. faecalis kon bij slechts één van de tien koppels bruine leghennen worden geïsoleerd. Met één van de geïsoleerde M. synoviae-stammen werd in een dierproef dezelfde aandoening opgewekt als bij dieren in het veld werd waargenomen. Alle dieren die intraveneus (in de bloedbaan) waren ingespoten met M. synoviae, vertoonden 10 weken na infectie ernstige gewrichtsamyloïdose. Bij kuikens die rechtstreeks in het gewricht waren besmet, ontstond na tien weken bij 90 procent van de dieren eveneens de afwijking. Uit het verrichte onderzoek blijkt dat E. faecalis en M. synoviae op dit moment de twee belangrijkste verwekkers voor gewrichtsamyloïdose bij bruine leghennen zijn. Beide kiemen zijn in staat een chronische gewrichtsontsteking te veroorzaken, die de vorming van het amyloïd eiwit bevordert.
Toekomstig onderzoek
De uitkomst van het veld- en experimenteel onderzoek is reden om het M. synoviae-onderzoek nieuw leven in te blazen. Hierbij wordt gedacht aan het ontwikkelen van kennis over besmettingsroutes die tot gewrichtsontsteking leiden, het in kaart brengen van de infectiedruk in het veld, genetisch onderzoek naar de verwantschap tussen M. synoviae-stammen die pootproblemen veroorzaken en preventieve maatregelen zoals vaccinatie.
|
 |
| Waterverbruik per diersoort |
 |
De vochtbehoefte van een dier verschilt per diersoort. Daarnaast spelen verschillende (omgevings)factoren een rol.
De volgende factoren zijn van invloed op het waterverbruik van een individueel dier:
voercomponenten (zoals natrium, verhouding van mineralen, hoeveelheid water); temperatuur en stalklimaat; productie (melkkoeien, zeugen, leghennen). In de tabel is de vochtbehoefte per categorie weergegeven. Dit is niet het waterverbruik, maar de totale behoefte aan vocht. Als het voer voor een groot deel uit vochtrijke producten bestaat (zoals brijvoedering of kuilvoer) is minder water nodig dan wanneer het vooral geperste producten (mengvoeder) krijgt.
kippen legkippen maximaal 0,5 * vleeskuikens 10 dgn: max. 0,02 40 dgn: max. 0,10**
kalkoenen vleeskuikens 0,3 volwassen dieren 0,5 ganzen volwassen dieren 0,5 - 1,2
Nieuwe apparatuur ICP (inductive coupled plasma) is de naam van een apparaat voor het analyseren van mineralen en spoor-elementen in bloed. Dit apparaat meet alle elementen (zoals calcium, magnesium, koper, zink en ijzer) gelijktijdig. Dit betekent dat afzonderlijke meting van elk element niet meer nodig is. Het apparaat voert de analyses uit bij een temperatuur van minimaal 6000 °C en is per analyse sneller en goedkoper dan voorheen gebruikte apparatuur.
Vanaf 1 januari 2001 is de automatische witte-bloedcel-differentiatie-apparatuur in gebruik genomen. Met de automatische differentiatie-apparatuur is het niet meer nodig om cellen te kleuren en vervolgens handmatig te tellen met behulp van een microscoop. Het apparaat kan, na eenmaal per diersoort te zijn ingesteld, automatisch de verschillende witte bloedcellen herkennen. Met behulp van een microscoop worden 100 cellen geteld. Het apparaat onderzoekt meer dan 2000 cellen waardoor de nauwkeurigheid van het onderzoek sterk toeneemt.
Voorkom hemolyse Hemolyse ontstaat wanneer de rode bloedcellen worden beschadigd en de bloedkleurstof in het serum/plasma komt. Hemolyse verstoort laboratoriumbepalingen. Onderzoeksresultaten zijn daardoor niet betrouwbaar. Met een aantal maatregelen kunt u het risico van hemolyse verminderen:
Gebruik geen te dunne naald in combinatie met vacuümbuizen. Dit veroorzaakt namelijk een te harde bloedstroom. Vul het monsterbuisje ten minste tot driekwart, zodat grote bewegingen van het bloed tijdens transport worden voorkomen. Voorkom grote temperatuurschommelingen. Laat de serumbuis eerst 20 tot 30 minuten op temperatuur komen alvorens de buis in de koelkast te plaatsen. Het bloed is dan volledig gestold. Voorkom dat het bloed bevriest. Bevroren bloed is namelijk altijd hemolytisch. Sommige aandoeningen veroorzaken hemolyse in het dier (leverbeschadigingen) of zorgen dat hemolyse na bloedtappen veel sneller optreedt dan bij bloed van gezonde dieren (antistoffen die hechten aan rode bloedcellen). Wanneer u vermoedt dat hemolyse om deze reden op kan treden, geef dit dan aan op het inzendformulier.
|
 |
| Coccidiose-preventie vraagt de juiste strategie |
 |
Wat is coccidiose?
Coccidiose is al jaren één van de belangrijkste aandoeningen bij pluimvee. De aandoening wordt veroorzaakt door protozoën van de orde coccidia, waarvan Eimeria bij kippen van belang is. De dieren raken besmet door opname van oöcysten (coccidiose-eieren). De parasieten komen in de darm van de kip tot ontwikkeling. Waar dat gebeurt hangt af van de soort. In bijna alle pluimveestallen komen oöcysten voor. Ter bescherming van het pluimvee worden via het voer preventief anti-coccidiose producten aan de dieren verstrekt. In 1992 werd nog een nieuw anti-coccidiose middel op de markt gebracht. Dit gaf een dip in de coccidiose-statistieken te zien. Daarna is het aantal coccidiose-gevallen duidelijk gestegen.
Gevoeligheidsonderzoek
Binnen een monitoringproject ‘vleeskuikens ‘ wordt door de Gezondheidsdienst de gevoeligheid van de coccidiose-parasiet voor de gebruikte anti-coccidiose producten onderzocht. Van peilbedrijven binnen de integratie, die relatief ernstige coccidiose (bij herhaling hoge laesie- score, dus darmbeschadiging) te zien hebben gegeven, worden oöcysten verzameld. Deze oöcysten worden per integratie gebruikt voor een gevoeligheidsonderzoek van enkele anti-coccidiose producten. Bij de keuze van de te onderzoeken anti-coccidiose producten heeft de integratie inspraak.
Problematiek inzichtelijk maken
Aan de hand van de uitslag van de gevoeligheidsonderzoeken, de regelmatige inzendingen van peilbedrijven en de informatie over de gevolgde strategie van de integratie (de inzet van anti-coccidiose middelen) wordt de ontwikkeling van de resistentie-problematiek inzichtelijk. Gewapend met deze kennis kan een effectievere preventiestrategie worden ontwikkeld en is een optimaal gebruik van de anti-coccidiose producten mogelijk. Een zo effectief mogelijk gebruik van de beschikbare anti-coccidiose producten is een ‘must’. Vanwege zeer hoge ontwikkelingskosten zal de farmaceutische industrie in de toekomst geen of weinig nieuwe anti-coccidiose producten meer ontwikkelen.
Vaccinatie belangrijk
In de toekomst zal naar verwachting vaccinatie steeds belangrijker worden bij de coccidiose-preventie. Het is al meer dan 40 jaar bekend dat coccidiose door vaccinatie met levende oöcysten kan worden voorkomen. Toch wordt dit pas sinds enkele jaren toegepast. In de USA, Canada en Zuid-Amerika worden opfokdieren en vleeskuikens op grote schaal gevaccineerd tegen coccidiose. Hiervoor wordt meestal Immunocox® of Coccivac® gebruikt. Dit zijn levende vaccins op basis van kwaadaardige Eimeria-stammen.
Enten opfokdieren neemt toe
Opfokdieren, die op de grond worden gehouden, worden steeds vaker tegen coccidiose geënt. Dit gebeurt in de eerste levensweek van de dieren. In dit geval wordt met Paracox® geënt. Paracox® is samengesteld uit minder kwaadaardige Eimeriastammen, het is een vaccin van vroegrijpe oöcysten. Paracox “ mag in Nederland ook worden toegepast. In Oost-Europa en Zuid-Amerika wordt bij de opfok van dieren vaak Livacox® gebruikt. Livacox® is een Tsjechisch vaccin dat is samengesteld uit geattenueerde (verzwakte) stammen. Vleeskuikens worden in Europa nog niet op grote schaal tegen coccidiose geënt. Vaccinatie van vleeskuikens is relatief duur en voorlopig zullen de meeste vleeskuikenhouders nog gebruik maken van de toepassing van anti-coccidiose producten via het voer. Het is wel zaak om deze anti-coccidiose-producten verantwoord in te zetten, omdat er wel degelijk ‘slijtage’ op deze producten zit. Voor bedrijven die een andere oplossing zoeken en/of duidelijk in de problemen zitten door coccidiose is er nu de mogelijkheid van vaccinatie. In Nederland is het levende vaccin Paracox-5 op de markt voor de enting van vleeskuikens tegen coccidiose. In 2002 komt er nog een vaccin op de Nederlandse markt voor vleeskuikens. Op de Oost-Europese markt is er ook een vaccin (Livacox®) voor vleeskuikens.
|
|
 |
 |
|

|