


|
 |
Mei 2002
| HET ONTSTAAN VAN DE GEINTEGREERDE KALKOENHOUDERIJ IN NEDERLAND |
 |
Het artikel van Piet van Veen in de vorige veer vertelde ons hoe de kalkoen op de Amerikaanse feestdis is beland. In dit artikel wil ik een ooggetuigeverslag doen van het ontstaan van de geintegreerde kalkoenhouderij in Nederland.
De Nederlandse kalkoenhouderij heeft een zeer bewogen ontstaansgeschiedenis gekend. Het begon allemaal in 1963, toen de toenmalige CPS, (Cooperatieve Pluimvee Slachterij) te Boxmeer vervanging zocht voor de ter ziele gegane produktie van slachteenden. In het UK en in de USA was de kalkoen reeds een bekend produkt als kerstkalkoen of als feestgerecht op Thanksgivingsday. Daarom was het niet vreemd dat hier toen tot de introduktie van de kalkoen besloten werd. Immers, wat in Amerika reeds bestond zou enige tijd later ook naar Europa overwaaien was de gedachte en dus diende men zijn kansen te grijpen. Het oog viel daarbij op de produktie van kerstkalkoenen.
Als beste startmogelijkheid werd gekozen voor de Brabantse kring Cuyk en de Limburgse kring Weert. Dit omdat daar een regionale voorlichtingsdienst bestond die goed functioneerde. Deze konden gebruikt worden voor de werving van mesters en de begeleiding van de produktie.
Geinteresseerde bedrijven werden bijeen geroepen en in diverse bijeenkomsten werd hen de zegeningen van de kalkoen in het vooruitzicht gesteld. Het was een dier wat vrijwel geen ziektes kende, maar wat zich wat moeilijk liet opfokken, zo werd gesteld. Daarom werd gekozen voor aparte opfok- en afmestbedrijven. Deze laatsten hoefden aan weinig eisen te voldoen wat betreft accomodatie. Een hok of schuur welke nauwelijks meer ergens goed voor was, was nog prima geschikt om kalkoenen in af te mesten was de opvatting. Dat pakte later wel anders uit, zo bleek.
Heel wat voorcalculaties werden gemaakt, met steeds een positief resultaat. Het papier was ook toen al geduldig.
Er bleek zowel in Brabant, als in Limburg een kuikenbroeder te bestaan welke kalkoenkuikens produceerden voor particulier gebruik. Dezen werden als KB binnen gehaald. Van rassen was geen sprake, het waren gewoon witte of bronskleurige. Gestart werd met een aantal proefkoppels omdat nagenoeg niets bekend was van het bedrijfsmatig kalkoenen houden. De verwarming geschiedde als bij slachtkuikens, met olie-ruimteverwarming. Gloeiend hete temperaturen bleken nodig om het de kalkoen naar de zin te maken. Het was daardoor bijna niet te harden in het hok. Gelukkig kwamen toen de eerste propaangasstralers op de markt en dat bleek een oplossing. De kuikens werden geplaatst in kartonnen of hardboard ringen. Eerst later kwamen de gazen ringen. Eenmaal uit de ringen kregen de kuikens water verstrekt in drinkgoten van wel 10 meter lengte. De automatische ronddrinkers van nu, bestonden toen nog niet. Gevoerd werd middels een sleepketting en op afmest bedrijven uit voertonnen.
Uitvalspercentages waren m.n. de eerste week nogal eens hoog. Wie onder de 10% bleef was zeer tevreden, 20 of 30% kwam ook vaak voor. Ook de uitkomstpercentages op de broederij bleken soms erg tegen te vallen, waardoor soms tientallen procenten minder dan het gewenste aantal kuikens kon woden afgeleverd.
Na 6 weken werden de dieren afgeleverd aan afmesters en kon de opfokker de balans opmaken. Afgerekend werd er op basis van een calculatie welke poogde een redelijke inkomensverdeling tot stand te brengen tussen opfokker en afmester. Enkele jaren later werden die calculaties uitgebreid met opfok VB, VB en KB., waardoor ze nogal ingewikkeld werden en een voortdurende bron van discussie. De afmestbedrijven waren in die beginperiode vaak nogal primitief te noemen. Van heuse kippenhokken tot oude schuren, oude woonhuizen, leegstaande varkensstallen tot zolders toe. Soms hadden de dieren ook nog een uitloop.
Hoe het ook zij, de ervaringen met de proefkoppels was zodanig dat werd besloten de produktie van kerstkalkoenen definitief op te starten. Er werd gekozen voor een jaarrond produktie welke werd ingevroren om dan met kerstmis duur te worden verkocht.
Op de mestbedrijven ontstonden al vrij snel grote problemen. De dieren kregen op grote schaal Black-head en dat had zeer nadelige gevolgen. De meeste hokken hadden toen nog geen vloer en meestal hadden er voordien kippen gezeten. Sindsdien weten we dat die combinatie funest is voor kalkoenen. De hele kalkoenhouderij dreigde op te houden te bestaan, ware het niet dat de slachterij een nabetaling in het vooruitzicht stelde. Toen de bedrijven vervolgens allemaal betonvloeren gingen aanbrengen, uitlopen taboe werden en een anti-black-head middel in het voer kwam, was het met deze ziekte snel afgelopen.
Aan de afzetkant liep intussen niet alles zoals gehoopt was. Het bleek dat de consument niet gemakkelijk van zijn eetgewoontes was af te brengen en in die eetgewoontes was geen plaats op grote schaal voor kerstkalkoenen. Bovendien keerde de produktiestrategie welke men had gekozen, n.l. jaarrondproduktie invriezen en met kerstmis verkopen, zich tegen de slachterij. De opgeslagen voorraad werd aan het eind van het jaar onderwerp van een zenuwenoorlog tussen de aanbieder en de koper, waarbij de aanbieder, de slachterij dus, de zwakkere positie bleek te hebben. Wat niet verkocht werd moest blijven zitten tot volgend jaar kerstmis of worden gedumpt. Deze afzetstrategie werd dan ook snel verlaten. Er diende ook een jaarrond afzet te komen en de 2e markfilosofie deed zijn intrede.
Het slachtkuiken wat in de jaren vijftig zijn intrede had gedaan, was langzamerhand gemeengoed geworden. Geredeneerd werd dat de diepvrieskluit, wat het slachtkuiken in die tijd was, een luxe variant diende te krijgen in de vorm van een lichte kalkoen. De lilly- en babykalkoen waren geboren. De lilly was levend iets onder de 2 kg en de baby was 1 kg zwaarder. Daarnaast bleef de 4 kg kalkoen bestaan. De kalkoenhouderij leek een geweldige expansie te gaan doormaken. Je kon in die tijd mesters onder elkaar horen zeggen dat ze die keer zoveel duizend baby's moesten gaan maken. Ga er maar eens aan staan! Die sterke expansie eind jaren zestig en begin jaren zeventig, gepaard gaande met het groot aantal benodigde kuikens, bracht ook een grote ontwikkeling in de reproduktiesektor teweeg. Bovendien kwam een grote export aan broedeieren en eendagskuikens op gang. Het Amerikaanse ras Riverest deed zijn intrede, werd na enige tijd overgenomen door de fa Coolen en omgedoopt in Indico. De Nederlandse kalkoenhouderij stond in het middelpunt van de belangstelling in Europa. Er kwam zelfs een heus volwaardig KI station voor kalkoenen, uniek in de wereld.
De kalkoenhouderij was op een hoogtepunt, een lange moeizame lijdensweg zou spoedig volgen.
Het opfok en afmestsysteem ging eind jaren zestig ter ziele en is nooit meer door iemand nagetreurd.
Begin zeventiger jaren kregen we in toenemende mate te maken met MG, een ziekte die erg veel schade aan de kalkoenhouderij heeft berokkend en die in belangrijke mate de negatieve ontwikkelingen die daarop volgden heeft meebepaald. De grote dichtheid van bedrijven met hun grote aantallen dieren, de in verhouding nog grotere reproduktiesektor in het zelfde gebied, plus het functioneren van een KI station bleken een beheersing van MG onmogelijk te maken.
Ook aan de afzetkant namen de problemen toe. Het diepvrieskuiken kreeg een steeds slechtere naam als diepvrieskluit vol water en de consument kreeg steeds meer weerstand tegen de diepvriesbak in de winkel waarin hij steeds minder een luxeprodukt verwachtte, wat de kalkoen toch probeerde te zijn. Het betere piepkuiken in de gedaante van de lilly- of babykalkoen bleek niet goed aan te slaan. De jaarrond afzet kwam niet goed op gang, met de al eerder genoemde nadelen van voorraadvorming en problematische afzet.
Tijd dus voor een nieuwe, inmiddels de derde afzetfilosofie.
In die periode, begin zeventiger jaren, werd er geconstateerd dat er sterke maatschappelijke veranderingen plaats vonden. Steeds kleinere huishoudens en steeds meer werkende vrouwen en een toenemende vraag naar snel en gemakkelijk te bereiden produkten in keurig afgepaste hoeveelheden. Het antwoord leek in Amerika reeds gevonden in de vorm van delenproduktie. Die richting werd dus ingeslagen. Hiervoor waren echter zware kalkoenen nodig. Die waren niet zomaar voorhanden. De slachterij hanteerde daarbij de slogan dat datgene geproduceerd moest worden wat de markt vroeg. Een gevleugeld woord, maar uit die tijd weten we dat ook daaraan grenzen kunnen zitten. De slachterij produceerde zowat alles wat denkbaar was. Lilly's, baby's, kerstkalkoenen en zware voor de delenproduktie, toen uiteraard als diepvries. Het mesterspakket bevatte mini- midi- en maxikalkoenen, waarbij m.n. de maxikalkoen veel kinderziektes bleek te hebben en veel teleurstelingen opleverde. Veel aversie tegen het zwaar mesten was mede het gevolg. Er werd een groot aantal z.g. mestpatronen gebezigd, allemaal doorgerekend van VB t/m slachtkalkoen met door de Integratiecommissie vastgestelde prijzen voor broedeieren en kuikens en een prijstaffeling voor een waslijst van slachtgewichten, met als doel elke schakel en elke produktie tot een evenredig inkomen te laten komen. We hadden toen een speciale rekencommissie welke er soms dagwerk mee had.
In de loop van de zeventiger jaren kwam de kalkoenhouderij toenemend in moeilijkheden. De CPS kreeg interne problemen en in 1972 kwam een fusie tot stand met de slachterijen van Cebeco-Handelsraad, welke inmiddels ook een produktie van kalkoenen kende. De combinatie gaat dan verder onder de naam Fri-ki. Kort nadien zag de Cehave zich genoodzaakt de failliete slachterij Goossens over te nemen en per 1-1-73 besloot Goossens om ook de produktie van kalkoenen zelf ter hand te nemen. Zij trok zich terug met medeneming van de Brabantse mesters.
In 1974 werd bureau Berenschot ingeschakeld voor een intern onderzoek bij Fri-ki. Er werdt o.a. geconstateerd dat de kalkoen onmisbaar was in het pakket en dus moest blijven.
De energiecrisis, de soyacrisis en de cautyregeling zijn enkele faktoren die de kosten op de bedrijven in die tijd sterk opjoegen. De inmiddels enige broederij kwam ook in problemen. Als gevolg van MG en zware rassen-problemen ontstond een vertrouwenscrisis t.o.v. het uitgangsmateriaal. De T6 en de Nicholas deden met succes hun intrede, later opgevolgd door de BIG6.
De afzet van delen ging eveneens niet goed, deels als gevolg van de afkeer die de consument had voor diepvriesprodukten, maar ook door de toenemende concurrentie vanuit andere landen. Diepvriesdelen bleken een concurrentiegevoelig produkt te zijn, vaak zelfs een dumpmarkt. Tijd dus voor een nieuwe afzetfilosofie, de vierde inmiddels.
In 1974 gaf Dhr Bults aan dat de toekomst lag bij de verse delen. Sindsdien begon een steeds verdere verschuiving in die richting, een ontwikkeling die rond 1980 voltooid werd. Aanvankelijk werden alleen de hanen gebruikt voor de delenproduktie, maar sinds de BIG6 er was, ook de hennen.
In de tweede helft van de jaren 70 kwam ook het gefuseerde en geherstruktureerde Fri-ki in ernstige problemen, net als trouwens de gehele pluimveeslachterijsektor. De Nehem werd gevraagd om een struktuuronderzoek te plegen. Het advies wat daaruit voort vloeide was inzet van allerlei onderhandelingen en leidde in 1978 tot het ontstaan van Plukon.
De periode rond 1980 was tevens de moeilijkste voor de kalkoenhouderij. Als gevolg van de economische toestand in die tijd, sterk gestegen energieprijzen en de zeer lage opbrengstprijzen was de situatie erg somber. Gemiddeld konden nauwelijks de directe kosten goedgemaakt worden. De integratie Goossens gooide de handdoek in de ring en verklaarde openlijk dat er geen toekomst meer bestond voor de Nederlandse kalkoenhouderij.
Tekenend voor de vasthoudendheid van de kalkoenhouderij en het geloof in haar produkt was wel dat er in dat jaar op vrijwillige basis 60000 gulden bij elkaar werd gebracht, bestemd voor een door het PPE uitgevoerd marktonderzoek. Doel was na te gaan of er reele toekomstmogelijkheden waren voor kalkoen en zo nee, om dan met kalkoenhouden te stoppen. De uitkomst was bemoedigend te noemen en reden voor de blijvers om door te gaan.
Begin jaren tachig begon de versafzet zijn vruchten af te werpen en kon de kalkoen haar plaats definitief op de vleesmarkt innemen.
Terug kijkend kan gezegd worden dat het ontstaan van de geintegreerde kalkoenhouderij de eerste 20 jaar een geweldige struggle for life is geweest waarin teelttechnische zaken, diergezondheid, produktie en afzet, de teelt meermaals aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Voor de huidige kalkoenhouders kan de les zijn dat vasthoudendheid en de wil om noodzakelijke aanpassingen door te voeren een belangrijke eigenschap zijn om problemen te overwinnen. Deze eigenschap zullen we de komende jaren nog hard nodig hebben om als sektor overeind te blijven en een kwalitatief vooraanstaande plaats op de vleesmarkt in te nemen, want alleen daar liggen toekomstpespectieven.
Jac Janssen
oud voorzitter BAV.
|
|
 |
 |
|

|